Requiem van Lachman

Uit het boek “Ondergang” van Presser staat het volgende citaat van Fons Hermans opgenomen: “Een pastoor, groot van gestalte en aristocratisch van uiterlijk; dat was hij. Een jonge Joodse vrouw, mooi als de meeste kinderen van Abraham en Sarah; dat was zij. Beiden liepen gearmd door het nachtelijk-donkere bos. Zo nu en dan brak de maan even door het wolkendek heen. De stilte van het bos werd verhevigd door het nauwelijks hoorbare geruis van de boomtoppen, waarover de wind zacht ademde. Zich naar zijn zwijgende gezellin wendend, glimlachte de pastoor geamuseerd en zei: “Dat heb je ook nooit kunnen dromen hè, dat je nog eens gearmd met een Limburgse pastoor na middernacht door een bos zou lopen.” “Neen, dat heb ik nooit kunnen denken”, antwoordde het donkere vrouwtje naast hem, “maar evenmin zult u hebben vermoed, dat u zo’n nachtelijke wandeling nog eens ooit gearmd met een Amsterdams jodinnetje zoudt maken.” Beiden lachten vergenoegd om het komische in deze gang van zaken en vervolgden toen weer zwijgend hun weg door het nachtelijk donker.”

Bij de pastoor gaat het om Henri Vullinghs en de Joodse dame is de echtgenote van Hans Lachman. Hun wegen kruisen elkaar tijdens de Tweede Wereldoorlog in Noord-Limburg , als pastoor Vullinghs zich inzet om het leven van de vervolgde familie Lachman te redden.

De priester Vullinghs (Sevenum, 4 september 1883, Bergen-Belsen 9 april 1945) stond bekend als een verdraagzaam mens met een passie  voor kerkmuziek. Als parochiegeestelijke was hij dan ook voorzitter van de Gregoriusvereniging en richtte hij in 1928 het Ward Instituut te Roermond op, waardoor duizenden onderwijskrachten hun muzikale scholing konden ontvangen. Tijdens zijn studie in Italië was Vullinghs in aanraking gekomen met het fascisme van Mussolini, een ervaring die bij hem een diepe afkeer opriep. Eenmaal terug in Nederland zette hij zich in voor het parochiepastoraat en in 1939 volgde zijn benoeming tot pastoor van het Limburgse Grubbenvorst. In die tijd besteedde hij in zijn preken uitdrukkelijk aandacht aan de gevaarlijke politieke ontwikkelingen in Duitsland. Toen Duitse troepen op 10 mei ons land binnenvielen, verklaarde hij vanaf de preekstoel: “Onze soldaten kunnen niets meer doen. Nu is het de beurt aan ons. Wij zullen de Duitsers dwarszitten waar wij kunnen.”

Dat voornemen maakte de pastoor waar. Tijdens de bezettingsjaren gaf hij leiding aan verschillende ondergrondse verzetsbewegingen en werkte daarbij onder anderen samen met de kapelaans Jean Slots, Theo Trienekens en Jac. Naus. Meteen al in mei 1940 hielp hij Franse krijgsgevangenen ontsnappen naar het vrije deel van Frankrijk en bracht daarna ook neergestorte geallieerde piloten in veiligheid. Hij zette vluchtroutes uit en organiseerde in Grubbenvorst een uitgebreid netwerk van onderduikadressen voor Joden en andere vervolgden. Tijdens de zondagse preek riep de pastoor zijn parochianen op om kleding af te staan “voor een bepaald doel dat intussen algemeen bekend is”.

Op 1 mei 1944 kwamen er signalen dat er een arrestatieteam van de Sicherheitspolizei onderweg was om de pastoor te arresteren. Pogingen om hem te waarschuwen konden niet meer baten en vlak voor zijn parochiekerk werd hij aangehouden. Een maand later  brachten de nazi’s hem samen met Leo Moonen, secretaris van het bisdom Roermond, over naar het Kamp Vught waar beiden zwaar mishandeld werden. Daarna volgde deportatie naar het concentratiekamp Sachsenhausen en vervolgens naar het kamp Bergen-Belsen. Toen hij daar eind maart 1945 aankwam, was hij al doodziek en stierf op 9 april aan dysenterie.

Hans Lachman (Berlijn, 7 maart 1906 – Amsterdam, 27 juni 1990) was een uit Duitsland afkomstige musicus, componist en arrangeur. Kort na de machtsovername door de nazi’s in 1933 verlieten hij en zijn vrouw Duitsland en gingen in Amsterdam wonen. Daar werd Lachman trombonist en arrangeur in het Tuschinski-orkest van Max Tak. Via Tak kreeg hij tevens opdrachten om muziek te componeren en te arrangeren en werkte tevens voor de Snip en Snap Revue. Hij schreef composities en arrangementen voor radio-ensembles. Toen voor hem en zijn gezin deportatie dreigde, dook Hans Lachman met hulp van pastoor Vullinghs met vrouw en kind onder in Noord-Limburg, waar zij in 1944 werden bevrijd.

Na de bevrijding in 1944 ging Lachman opnieuw op in de lichte muziek. In de tweede helft van de jaren veertig zette hij zijn werkzaamheden voort bij de radio als arrangeur, pianist en ensembleleider. Ook schreef hij arrangementen voor het Metropole Orkest en voor het orkest van Hugo de Groot. In 950 kwam zijn eigen Ensemble Lachman tot stand en legde hij zich voortaan steeds meer toe op de serieuze muziek. Hij bespeelde regelmatig het orgel van de Liberaal Joodse Gemeente in Amsterdam en gaf leiding aan het synagogaal koor.

Lachman vatte bovendien het plan op om een requiem voor pastoor Vullinghs te componeren, uit dankbaarheid  voor deze priester en verzetsman die zo’n belangrijke rol speelde bij de redding van vele Joden en daarvoor met zijn leven moest betalen. In 1960 was de compositie klaar en op 5 mei vond in de parochiekerk van Grubbenvorst de enige uitvoering plaats. Het gaat om een enigszins neoromantisch genre van dertig minuten, waarbij een orkest met 32 leden, een koor, een orgel en een tenor een rol spelen. De kerk zal bomvol en buiten waren er geluidsinstallaties geplaatst zodat ook daar het massaal toegestroomde publiek kon luisteren. Daarna raakte het stuk in vergetelheid, totdat het nog niet zo lang geleden werd teruggevonden in een sinaasappelkistje in de schuur van de zoon van Hans Lachman.

Mevrouw Agnes van Haaften van Agnes Music Management in Gorinchem nam het initiatief voor het opnieuw uitvoeren van het Requiem van Lachman. Het ligt in de bedoeling  om het stuk in 2015 uit te voeren, 70 jaar na de Tweede Wereldoorlog. Vergeten verhalen uit deze oorlog en de muziek die eruit voortkwam, kunnen nu weer tot leven komen. Er kan een impuls vanuit gaan voor de dialoog tussen verschillende culturen en religies, wat een positieve uitwerking heeft voor het wederzijds respect.

Van verschillende zijden wordt er steun aan dit initiatief gegeven, zoals door de Provincie Limburg en de Gemeente Grubbenvorst. Er moet echter nog veel aan fondswerving gedaan worden. Het doorgaan van dit project staat of valt dan ook met een goede financiële basis.

Het ligt in de bedoeling om in Limburg rond 4 en 5 mei drie uitvoeringen  te verzorgen, te beginnen in Grubbenvorst. De Katholieke Raad voor het Jodendom (KRI) streeft ernaar om dit belangrijke project een plaats geven bij de herdenking in 2015 van 50 jaar Nostra Aetate. Dit document was een van de vruchten van het Tweede Vaticaans Concilie en betekende niets minder dan een keerpunt in de relatie tussen katholieken en Joden. Sindsdien zijn er wereldwijd aanzienlijke verbetering tot stand gekomen ten aanzien van wederzijds begrip en acceptatie. De KRI levert hand- en spandiensten ten behoeve van het project, zoals bij het opzetten van het programma. Ook betrekt de KRI haar netwerk erbij. Er wordt samenwerking gezocht met onder andere Joodse organisaties en omroepen.

Piet van der Schoof

Deel dit artikel in je netwerk:Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterShare on LinkedIn