Gerard Rouwhorst over Nostra Aetate

Op 11 oktober van dit jaar is het 50 jaar geleden dat de plechtige opening van het Tweede Vaticaans Concilie plaats vond. Hoewel deze gebeurtenis aan de meeste Nederlanders – en ook aan veel katholieken – ongemerkt voorbij zal gaan, worden er de nodige herdenkingsbijeenkomsten en terugblikken aan gewijd. Een vraag die daarbij regelmatig aan de orde komt, luidt: betekende het concilie een breuk met het verleden? De vraag zelf verraadt veelal een bezorgdheid. Is er niet veel waardevols overboord gegooid? Zijn de veranderingen- bijvoorbeeld de liturgische vernieuwingen- niet te snel gegaan (bijvoorbeeld voor de ‘gewone’ gelovige)?

De vraag is niet zo maar in haar algemeenheid te beantwoorden. Niettemin durf ik te beweren: op sommige punten was er gelukkig sprake van een breuk met het verleden. Dat geldt met name voor het decreet Nostra aetate ( ‘In onze tijd’) dat pas tegen het einde van het concilie werd aangenomen (29 oktober 1965). Uitgangspunt van dat document is dat de kerk niets afwijst wat er aan waars en heiligs te vinden is in de niet-christelijke godsdiensten. Nostra aetate is ook het eerste kerkelijke document waarin afstand wordt genomen van eeuwenoude anti-joodse clichés, van de opvatting dat het Jodendom een achterhaalde godsdienst is die voor christenen niet meer van waarde is. In plaats daarvan worden ‘broederlijke’ gesprekken’ en dialoog met Joden aangemoedigd.

Elk jaar verzorg ik een college over de geschiedenis van het christendom waarin ik bijzondere aandacht moet besteden aan de relaties met de samenleving. Elke keer blijkt dan weer hoe moeilijk het in het verleden voor religies en kerken is geweest om religieuze minderheden niet alleen te gedogen, maar voluit te accepteren als gesprekspartners. En niet op de laatste plaats hoe taai anti-joodse clichés waren.

Natuurlijk mag je na 50 jaar met kritische ogen kijken naar het Tweede Vaticaans Concilie. Er zal bijvoorbeeld best iets aan te merken zijn op sommige liturgische vernieuwingen. En willen sommigen graag de tridentijnse liturgie vieren? Als het per se moet, dan zij het hun gegund, zij het wel graag met enkele broodnodige aanpassingen, bijvoorbeeld in de eucharistieviering meer lezingen uit het Oude (maar niet verouderde) Testament. Maar wat Nostra aeate betreft: geen compromissen en geen volledige of halfslachtige terugkeer naar het verleden.

Gerard Rouwhorst, voorzitter Katholieke Raad voor Kerk en Jodendom

Dit artikel is recentelijk verschenen in Kroniek

Deel dit artikel in je netwerk:Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterShare on LinkedIn